Het onderzoek en de diagnose
De deskundige die gaat onderzoeken of er bij uw kind sprake is
van AD(H)D, zal altijd eerst nagaan of het gedrag misschien uit
iets anders voortkomt. Hij zal daarom heel veel vragen stellen over
de algemene gezondheid, de thuissituatie, de familiegeschiedenis.
Deze vragen komen niet voort uit ongepaste nieuwsgierigheid en zijn
ook niet bedoeld om de schuldvraag te beantwoorden. Ze zijn
noodzakelijk voor het onderzoek.
Aanvullend onderzoek
Wanneer er twijfels zijn over de algemene gezondheid van het
kind of er problemen vermoed worden met bijvoorbeeld het gehoor,
volgt er een verwijzing naar een kinderarts, kinderneuroloog,
revalidatiearts, kno-arts of oogarts. Aanvullende onderzoeken zoals
een EEG, ECG en laboratoriumonderzoek worden niet standaard gedaan
voor de diagnose AD(H)D, maar alleen aangevraagd als de verkregen
informatie daartoe aanleiding geeft.
(Neuro)psychologisch onderzoek
Een (neuro)psychologisch onderzoek is bijna altijd zinvol om de
sterke en zwakke plekken in het verstandelijk functioneren van het
kind te leren kennen, maar lang niet altijd mogelijk (bijvoorbeeld
omdat het niet vergoed wordt door de verzekering). Met dit
onderzoek kan de intelligentie bepaald worden en kan een beeld
gekregen worden van cognitieve vaardigheden als aandachtsregulatie,
geheugen, planning en organisatie.
Classificatie en diagnose
De criteria voor de diagnose van AD(H)D zijn vastgelegd in het
handboek DSM-IV, het internationale classificatiesysteem van de
geestelijke gezondheidszorg. De scores op deze criteria helpen
medici bij het vaststellen van de diagnose, maar ze geven niet de
doorslag. Het gaat erom te bepalen of en hoe het kind door deze
symptomen wordt geremd in zijn ontwikkeling.
De diagnose drukt de ernst van de symptomen uit en hoe deze de
ontwikkeling van het kind belemmeren en de situatie thuis en op
school beïnvloeden. Welk effect heeft AD(H)D op het leergedrag, het
gedrag thuis en op school, de omgang met leeftijdgenoten, het
omgaan met emoties?
Omdat druk en impulsief gedrag bij peuters en kleuters vrij
normaal is en de afgrenzing naar spraak-taalproblemen, motorische
problemen en opstandig gedrag lastig is, stelt de Gezondheidsraad
dat de diagnose AD(H)D onder de zes jaar alleen in voorlopige zin
gesteld kan worden. Het onderscheid met aan autisme verwante
contactstoornissen (zoals PDD-NOS) is op deze leeftijd ook nog erg
lastig te maken.
Lees
verder: DSM-IV
criteria
Laatste wijziging: 02-05-2012